De kwaliteit van gras is over de jaren heen goed voorspelbaar. Dit is een fundamentele ontdekking voor iedereen die afhankelijk is van de voedingswaarde van plantaardige producten, of het nu gaat om dierlijke productie of, in een bredere context, de bron van ons eigen voedsel. Onderzoek naar duizenden grasanalyses over drie jaar toont aan dat, ondanks wisselende weersomstandigheden, het ruweiwitgehalte, de energieparameter VEM (Vloeibare Energie Melk), het suikergehalte en het celwandgehalte (NDF) een voorspelbaar verloop kennen door het jaar heen. Deze voorspelbaarheid biedt een krachtig instrument voor efficiënte planning, zowel voor melkveehouders als voor iedereen die geïnteresseerd is in de seizoensgebonden schommelingen van voedingswaarden.
Het belangrijkste sturende element in deze voorspelbaarheid zijn de seizoenen, die zich vertalen in zonlicht en daglengte. De daglengte beïnvloedt niet alleen de groei van gras, maar ook de fysiologie van dieren en, in principe, de biologische ritmes van mensen. Van Engels raaigras is bijvoorbeeld bekend dat het vanaf tien uur daglengte (februari tot november) gaat groeien en bij veertien uur daglengte (mei-augustus) kan gaan bloeien of doorschieten. Deze biologische klok is de rode draad in de kwaliteitsontwikkeling van het gras. Het onderzoek, uitgevoerd door Wageningen Livestock Research, analyseerde 1.242 versgrasanalyses van 21 melkveebedrijven in Nederland en vond een consistent patroon in de voederwaarde. De conclusie is duidelijk: de kwaliteit van gras is geen mysterie, maar een voorspelbaar fenomeen.
Het Seizoenspatroon in Voederwaarde
Een gedetailleerde analyse van ruim 1.400 voederwaarde-uitslagen onthult twee cruciale kantelpunten in de VEM-waarde van vers gras tijdens het grasseizoen: bij dag 150 (31 mei) en bij dag 250 (7 september). Dit patroon is in de jaren 2020, 2021 en 2022 consistent gebleken, wat de betrouwbaarheid ervan onderstreept.
Vanaf het voorjaar tot dag 150 (eind mei) daalt de voederwaarde. Dit is een periode van sterke groei, waarbij het gras relatief jong is. Tussen dag 150 en 250 (tussen eind mei en begin september) blijft de voederwaarde vrijwel gelijk. Na dag 250 (begin september) neemt de voederwaarde weer toe. Dit herstel in het najaar hangt samen met de afnemende daglengte en de ophoping van energie in de plant.
Naast de daglengte speelt de temperatuur een significante rol. De temperatuursom (T-som), berekend door alle gemiddelde dagtemperaturen boven 0 graden vanaf 1 januari op te tellen, beïnvloedt de voederwaarde sterk. Met name de T-som in de 28 dagen voorafgaand aan de monstername van het verse gras is bepalend. Een hogere T-som leidt tot een lagere voederwaarde. Zo is de VEM-waarde bij een T-som van slechts 200 graden gemiddeld 1.050, terwijl bij een T-som van 600 graden in 28 dagen gemiddeld 900 VEM wordt gemeten. Ook het suikergehalte daalt bij een hogere cumulatieve temperatuur. De NDF-waarde (celwandgehalte) stijgt daarentegen bij een hogere T-som. Het ruweiwitgehalte vertoont geen directe relatie met de T-som, maar wordt eerder beïnvloed door managementfactoren zoals bemesting en maaimoment.
De Relatie tussen Seizoen, Gras en Dierfysiologie
De voorspelbare veranderingen in gras hebben directe consequenties voor de fysiologie van het dier, zoals de melkproductie. In juni daalt de VEM in gras, en ten opzichte van het voorjaar kan dit verschil zomaar 100 VEM bedragen. Bij een opname van 7 tot 8 kilo droge stof is dit al goed voor bijna 2 liter melk minder. Daarnaast stijgt het ruwe eiwit (RE) in de zomer, waardoor de verhouding tussen DVE (Digestibel Vraag Eiwit) en OEB (Onderbroken Eiwit Balans) in het gras verandert. Door het teruglopende suiker daalt de VEM, terwijl het eiwit stijgt. Als dit eiwit goed benutten wil worden, is bijsturen op stal met de juiste energiebron een vereiste.
Een ander aandachtspunt is de smakelijkheid van het gras. Het suikergehalte, en daarmee de smakelijkheid, loopt terug, wat kan leiden tot een lagere grasopname. Gezien de hoge grasgroei in de zomer, wordt geadviseerd om vroeg in te scharen, soms al 10 dagen na maaien. Hierdoor blijft het gras fris. Als het te laat wordt ingeschoren, bestaat het risico dat het gras muf wordt van onderen en de opname achteruitgaat.
De voorspelbaarheid van graskwaliteit biedt ook kansen voor het aanleggen van een passend rantsoen. Een eiwitarme graskuil past goed bij eiwitrijk voorjaars- en najaarsgras. Een kuil met een hoge verteerbaarheid en hoog ruweiwitgehalte dient in de zomer te worden gevoerd (tussen dagnummer 150 en 250). Voor de winterperiode geldt dat hoe groter het aandeel gras in het rantsoen, des te eiwitarmer de graskuil mag zijn om in het totale rantsoen voor het melkvee gemiddeld op 150 gram ruw eiwit per kilo droge stof uit te komen.
Technologie voor Precieze Voedingswaardebepaling
De voorspelbare kwaliteit van gras kan verder worden geoptimaliseerd door moderne technologie. Met een NIR-scanner (Near-Infrared Reflectie) kan eenvoudig ter plekke, voor het voerhek of in de wei, de samenstelling van vers gras worden gemeten. De waardes worden direct omgerekend naar belangrijke kengetallen zoals VEM, DVE en OEB. Dit geeft direct inzicht in wat de koeien gevoerd wordt en welke voedingswaarde het gras biedt.
Deze scanner werkt samen met een app (zoals de NutriOpt On-site Adviser), die de meetresultaten vertaald naar inzichtelijke kengetallen volgens modellen zoals het CVB-model of eigen modellen van nutritionele bedrijven. Deze modellen houden rekening met dynamische factoren zoals de inkuilduur van mais en hoe snel een grondstof in de pens wordt afgebroken. Hierdoor ontstaat nog nauwkeuriger inzicht in waar en hoe energie en eiwitten vrijkomen – in de pens of in de darmen – en hoe dit zich vertaalt naar de melkproductie. Deze directe meting en analyse stellen veehouders in staat om ter plaatse het rantsoen te optimaliseren.
Bijzondere Gewassen: Kruidenrijk Gras
Naast gangbaar gras wint kruidenrijk gras aan belangstelling. Bij dergelijke 'nieuwe' gewassen is het cruciaal om niet blind te staren op de VEM-waarde. Ook de overige parameters, zoals de VCOS (verteerbaar celwandgehalte), celwanden, DVE en OEB, moeten worden meegenomen. De voerstrategie moet worden bepaald op basis van de onderlinge verhouding tussen deze parameters.
Een belangrijke ontdekking is dat in kruiden tot wel 3,5 keer meer mineralen aanwezig is dan in enkelvoudig gras. Om de VEM te corrigeren voor het aandeel (extra) ruw as van kruidenrijk gras, heeft Eurofins Agro een vuistregel opgesteld. Afhankelijk van de gemeten VCOS (%) moet de VEM per 10 gram extra ruw as worden verhoogd. De correctie bedraagt 11 punten bij een VCOS van 70-75%, 12 punten bij 75-80%, 13 punten bij 80-85% en 14 punten bij een VCOS van meer dan 85%.
De gemiddelde ruw as-gehaltes van gangbaar gras variëren per seizoen en vorm (vers of ingekuild). Voor vers gras zijn de gemiddelde waarden: 90 g/kg ds in het voorjaar, 100 g/kg ds in de zomer en 115 g/kg ds in het najaar. Voor ingekuild gras zijn deze waarden respectievelijk 95, 105 en 130 g/kg ds.
Een rekenvoorbeeld illustreert de toepassing: kruidenrijk gras ingekuild in de zomer met een ruw as-gehalte van 133 g/kg ds, een VCOS van 76,3% en een VEM van 894. Dit valt in de categorie VCOS 75-80, dus de VEM-correctie is 12 per 10 g/kg. Dit betekent een aanpassing van de VEM-waarde om rekening te houden met het hogere mineralengehalte. Deze precisie is essentieel voor een evenwichtig rantsoen.
Conclusie
De kwaliteit van gras is voorspelbaar, gestuurd door seizoensgebonden factoren zoals daglengte en temperatuur. Deze voorspelbaarheid manifesteert zich in een duidelijk patroon van de VEM-waarde, suikergehalte en NDF-waarde door het jaar heen, met kantelpunten rond 31 mei en 7 september. Het ruweiwitgehalte wordt sterker beïnvloed door management, zoals bemesting en maaimomenten, wat kansen biedt voor optimalisatie.
Deze kennis stelt ons in staat om proactief te handelen. Door het voorspelbare verloop te begrijpen, kunnen rantsoenen worden samengesteld die aansluiten bij de beschikbare voedingswaarde van vers gras. Dit omvat het aanleggen van passende kuilen, het bijsturen van krachtvoer en het gebruik van technologie voor nauwkeurige metingen. Zelfs bij speciale gewassen zoals kruidenrijk gras, waarvan de mineralensamenstelling afwijkt, bieden gestandaardiseerde correctiemodellen duidelijkheid. Door deze geïntegraceerde aanpak van fysiologie, voeding en management, wordt de voedingswaarde van gras niet alleen voorspelbaar, maar ook optimaal benut voor gezondheid en productie.